Donderdag 21 juni nam Henk Oosterling, oprichter en inspirator van Rotterdam Vakmanstad, formeel afscheid van de organisatie. Tijdens een symposium blikten we terug op de beginjaren en keken we vooruit naar de toekomst van Vakmanstad. Bij het symposium schreef Henk deze speech.

IMG_2956
Henk Oosterling

Hoewel ik hier sta, dames en heren, mag het duidelijk zijn dat het werk dat verricht is voor-namelijk en grotendeels te danken is aan de grote groep mensen waarop Vakmanstad steunt: de docenten, begeleiders, coördinatoren en de backoffice. En daaromheen al die stakeholders, u dus. Aan mensen die als knopen in netwerken dagelijks de verbinding ma-ken. Wie de strategie bedenkt, de tactische samenwerking regelt, operationeel docenten en leerlingen begeleidt die voor de groepen staan, daartussen bestaat voor mij slechts een kunstmatig onderscheid. In werkelijkheid loopt alles door elkaar. Tenminste in mijn opvat-ting van wat een organisatie kan zijn, fysiek, sociaal en mentaal. Afwassen blijft de ba-sisskill van iedere medewerker van Vakmanstad. En wij weten allemaal: afwassen houdt nooit op. Ik ben ook zo’n knooppunt in het Vakmanstad netwerk. Bedenker, ok, maar dat is slechts een fase, en dat wat gedacht wordt, verandert al doende. Laat ik daarom, geheel in traditie van Vakmanstad, op de dramatische grens van er zijn of er niet meer zijn – to be or not to be – mijzelf Shakespeariaans sloganesk positioneren: iedere krijger is een gever. Dit vergt, opnieuw in lijn met het Vakmanstad gedachtengoed, een ecosofische – een speelse combi van ecologie en filosofie – feedbackloop: een teruglussen vanuit een ingekeerde te-rugblik waarmee alles binnenstebuiten wordt gestulpt. Daarin wordt duidelijk hoe je wat je investeert – dat wil zeggen: geeft – terugkrijgt om het vervolgens weer weg te geven.

Waardecreatie vergt circulatie

Een feedbackloop is een lus waarin een lijn een knoop kan worden. Lussen als circulaire beweging schept een binnen en een buiten. Een leerproces bestaat uit teruglussen en doorlussen. Dat geldt voor de basisschool- en vmboleerlingen, maar ook voor organisaties. In mijn opvatting van een lerende organisatie (be)leert deze niet alleen anderen, maar leert deze ook van die anderen. Cruciaal voor het begrijpen van wat Vakmanstad beweegt, is dit begrip van een lerende organisatie. Hoe waardevol is een organisatie? Wat heeft zij te bie-den? De creatie van nieuwe waarden vergt allereerst circulatie van informatie. In termen van het huidige neo-liberale denken gaat het dan om het laten circuleren van intellectueel, sociaal en cultureel kapitaal. In dat proces wordt iedere krijger een gever. Over dit krijger-schap gaat het vakmanschap dat wij bevorderen. Want duurzaam vakmanschap blijft zich met nieuwe inzichten voeden. Een vakman of vakvrouw blijft leren. Dat heb ik in ieder geval in Japan geleerd. Maar waarom krijgerschap? Omdat het echte gevecht in het leerproces altijd een gevecht tegen jezelf is. Nog een tandje hoger, nog niet stoppen, afzien en voor-uitzien om van je leven en werk een levenswerk te maken.

Daar wil ik wel wat over kwijt in deze korte existentieel-ecosofische reflectie: wat ik heb ge-daan, waar dat op steunt, wat de grotere samenhang is, het verhaal – of discours – dat sa-menvalt met mijn levensverhaal. Maar vooral: hoe schuift daarbij denken in doen? Want dat ‘doendenken’ is het discours waarbinnen we altijd hebben gewerkt: altijd de praktijk in de theorie schroeven en de theorie vanuit de praktijk transformeren. Die uitdaging is de story of my life: het opzoeken en doorbreken van grenzen. Ook Vakmanstad werkt op een grens. Daarop voltrekt zich een paradigma omslag: een nieuwe visie op leren, emancipatie en in-dividuele ontwikkeling. En daarin staan we niet alleen, getuige de commotie die we in het huidige onderwijssysteem kunnen waarnemen.

Een ding mag duidelijk zijn: ik ben een leraar in hart en nieren. Ik geloof in mensen. Ik heb altijd genot ontleend aan het teruggeven van wat ik stap voor stap – al opschalend van ulo tot universiteit – op de schaarste bevochten heb: mentale overvloed. Die overvloed vroeg keer op keer om herinvestering en waardecreatie. Daarom werk ik nog steeds op Zuid, hier rond Bloemhof/Hillesluis waar ik ooit ben geboren, in de jaren zeventig woonde, met en voor gastarbeiders op De Zwederpoort taal- en socialiseringsmethodes ontwikkelde en een eerste basisschoolexperiment uitvoerde hier even verderop op de Polderkwartierschool, tegenover de oude Wielslag ambachtsschool, in de jaren tachtig in de Ericastraat een Ja-panse zwaardvechtschool opzette en leidde, maar ook op enkele scholen de door mij en mijn companen ontwikkelde alternatieve energiemethodiek ‘Energie in ’t klein’ uitzette om daarna even wat anders te doen in het academische wereld. In het eerste decennium van de 21e eeuw keerde ik terug met Rotterdam Vakmanstad en nu sta ik hier, in Vakcollege De Hef, aan het eind van het tweede decennium. Dat teruggeven zie ik als een soort ‘men-tale filantropie’: het ‘kapitaal’ zit dan meer in je brein dan op je bankrekening.

Een ding is sinds kort in ieder geval duidelijk. Vakmanstad valt niet meer samen met Henk Oosterling. Vroeger werd mij door ambtenaren, onderwijsbestuurders en wooncorporatiedi-recteuren, na mijn enthousiaste verhalen en vervolgens tastbare resultaten, altijd ietwat terughoudend een even vleiende als dodelijke gedachte voorgehouden: mooi, Henk, dat project van jou, maar als jij onder de tram komt, is het afgelopen. Dat probleem is nu dus opgelost: ik kan met een gerust hart onder de tram lopen. Vakmanstad zal voortleven. De overdracht die we vier jaar geleden hebben ingezet, waardoor ik medio 2016 kon terugtre-den, wordt met de verzelfstandiging van Voedseleducatie010 en het opleveren van de leer-lijnen afgerond. Met Rachid voor de zakelijk-strategische aansturing van de medewerkers en Aetzel voor de onderwijs-inhoudelijke coördinatie van de docententeams en de ontwik-keling van de afzonderlijke leerlijnen heeft Vakmanstad haar verleden achter zich gelaten en zich verankerd in de toekomst. Ik ben overbodig. Om overbodig te worden is echter veel werk verzet.

Terugblik: Kleurloos Rotterdam 2025

Hoe begon het? In 2004 was Rotterdam in rep en roer. Pim Fortuyn was vermoord en de politiek ging over de kop. Ik werd gevraagd de Rotterdamlezing te geven, een samenwer-king tussen de stad en de Erasmus Universiteit. Een week geleden werd deze in de Armi-nius kerk door Derk Loorbach gegeven. Dit keer over armoede. Daarin werd verwezen naar het door D.R.I.F.T., Creatief Beheer, Bureau Frontlijn en Vakmanstad vier jaar lang in Car-nisse uitgevoerde project Veerkracht. Het duurzame resultaat voor Vakmanstad van deze integrale samenwerking is het succes van de Elisabethschool. Mijn stadslezing in 2004 paarde ook academisme aan activisme. De titel luidde: Kleurloos Rotterdam 2025. On-danks die dubbelzinnige titel – een beetje mijn handelsmerk – klopten wooncorporaties, on-derwijsorganisaties en uiteindelijk ook het net opgerichte Pact op Zuid aan en voor ik het wist had ik twee banen. Mijn integrale visie en aanpak is gebaseerd op twintig jaar acade-misch onderzoek naar de kwetsuren en kansen van een geglobaliseerde, gedigitaliseerde, interculturele samenleving. Ik gaf mezelf in 2004 14 jaar om dit project op de kaart te zet-ten, even lang als een volledig onderwijstraject. Even daarvoor was het nieuwe grootste-denbeleid ingezet. Er was behoefte aan een integrale visie voor de wijken. Voor ik het wist, schoof ik op verzoek van Pact op Zuid drie keer per week om 8.00 ’s ochtends aan bij ont-bijtsessies, werkte ik via Concire met straatgroepen en ontwikkelde ik integrale gebieds-ontwikkelingsvisies gericht op sociale duurzaamheid voor Stadshavens en deelgemeenten. Dominic Schrijer maakte als wethouder een bedrag naar AIR over om mij de kans te geven met jan en alleman over deze integrale aanpak te praten. In 2007 gaf ik de helft van mijn baan aan de EUR op om als zzp’er in de stad aan de slag te gaan. Nu, in 2018, maak ik het bestand op.

Skill is wil: drillen, chillen, skillen

Tegelijkertijd werd er in Rotterdam een ander verhaal opgetuigd: bestuurlijk krijgerschap. Na de onschuldig klinkende ‘cultuurscouts’ kwamen er nu ook ‘stadsmariniers’ en was er sprake van een academisch onderbouwde regiem change. Een oorlogszuchtige, martiale metaforiek. Ook al vond ik die oorlogsverklaring aan een deel van de Rotterdamse bevol-king wat overtrokken, met mijn budo achtergrond kon ik wel met die metaforiek overweg. Ik geloof in de noodzaak van strijd. Vechten is een existentiële houding, zolang we maar in de gaten houden dat je het grootste gevecht met jezelf aangaat en het meest succesvolle ge-vecht zich in volstrekte onbewogenheid voltrekt. Het is voor velen van u volstrekt ongeloof-waardig als ik beweer dat het ego er niet toe doet, want hoe groot komt mijn ego niet over. Soms zelfs als een straaljager die door de geluidsbarrière breekt. Maar toch is de volgende gedachte een overweging waard: het ego is er en het hoeft helemaal niet weg, het moet transmigreren, circuleren en niet fixeren. Een poreus ego, daar gaat het om. Een ego waar alles doorheen gaat. Dat is immers de basis van ieder leerproces. Dat er in de politiek veel ego zit weten we. Dat de machtsvraag met het ego samenhangt, is ook bekend. Zo’n ego is een sprinkplank naar overbodigheid. Voor mij is overbodigheid altijd een uitgangspunt geweest van ieder project dat ik bedacht, met anderen opzette en organisatorisch veran-kerde. Je zet iets neer en je draagt het over. Zo werk je telkens systematisch naar je over-bodigheid toe. Het ego speelt daarin dus een cruciale rol, maar dan op de manier waarop ik dat in mijn laatste boek probeer te verhelderen: waar geen wil (lees: ego) is, is een weg.

In die zin is vakmanschap voor mij dus krijgerschap. Zelfoverwinning betekent jezelf door skills nieuwe inzichten en vaardigheden aanmeten. Nieuwe gewoonten aanmeten is makke-lijker dan oude gewoonten – bad habits – loslaten. Bij het skillen gaat het allereerst om luis-teren en kijken. Luisteren naar anderen maar vooral luisteren naar je medium. Bij drillen gaat het meestal om gehoorzamen, dat wil zeggen luisteren en kijken naar je baas. Na-doen, niet denken. Chillen is gedachtenloos even met anderen helemaal jezelf zijn. Net als drillen heeft chillen wel iets van egoloosheid. Dat ontbreekt bij de skill. Een skill vergt een poreus ego. Je wordt door het gebruik van je medium, door je gereedschap gecorrigeerd en geïnspireerd. Een skill is een reflectieve drill: er zit een feedbacklus in die hechter ver-knoopt. Bijvoorbeeld omdat je bewust je nieuwe tools gebruikt om te ontdekken hoe je je anders kunt verbinden met je omgeving. Dat medium kan een voetbal zijn of heel je li-chaam zoals bij judo, aikido, yoga en dans, een keukenmes of bakboter, een viool of je stem. Maar welke maat zo’n middel of medium ook heeft of aangeeft, jij verhoudt je er altijd kritisch toe. Niet alleen: hoe doe ik dit, maar ook waarom doe ik dit hiermee?

Die letterlijke ‘middel-matigheid’ kenmerkt ons huidige bestaan, ons zijn. Er zit veel drill en chill in. Als je je er niet van bewust bent dat je door je middelen geleefd wordt, wortelt – ik heb daarbij het latijn in gedachte: radix, zoals in radijsjes, betekent wortel – je leven in je medium. Gooi je smartphone maar weg, verkoop je auto, ga naar Australië zwemmen in plaats van het vliegtuig te nemen, doe je bril af, ruk je pacemaker eruit, spoel je drugs en medicijnen door de gootsteen en je snapt wat ik bedoel. Wij vallen nagenoeg samen met onze media of middelen. Zij bepalen ons dagritme. Skills maken je echter bewust van die ‘radicale’ middelmatigheid. Ze stellen je in staat nieuwe lagen in jezelf te ontdekken. Jezelf opnieuw uit te vinden. En daarmee te veranderen, anders te worden. Skills doorbreken de radicale middelmatigheid en transformeren dat naar inter-esse. Je bent je bewust van hoe je via je medium altijd betrokken bent bij anderen.

Voor mij zijn gaandeweg de door de UNESCO geformuleerde 21st Century Skills maatge-vend geworden. Vaardigheden vind ik een te smalle vertaling. Skills overstijgt het compe-tentiedenken dat houding, vaardigheden en flankerende kennis verbindt, maar integraal inzicht juist blokkeert. Competenties zijn handig. Vooral voor je baas. Wat zijn de 21st CS? Deze komen simpelweg op het volgende neer: 4 C’s (communication, collaboration, critical thinking, creative innovation), twee nieuwe geletterdheden (mediawijsheid en ecowijsheid) en het allerbelangrijkste, tenminste als we nadenken over wat een lerende organisatie vergt: een leven lang leren (LLL). Als je dat overigens intikt, corrigeert je programma het als ‘levenslang leren’, een straf dus. Want we denken nog steeds dat diploma’s maatgevend zijn en dat we op een gegeven moment wel klaar zijn. Maar LLL vergt een specifieke basis-houding. Ik heb die houding vanuit een filosofisch perspectief dus interesse genoemd. Een concept dat verder gaat dan mentale ontvankelijkheid, gevoelige openheid of nieuwsgierig-heid. Ik zie het als een existentiële grondhouding, waarin de relatie – het tussen of inter – het bestaan – esse – bepaalt. Wij zijn allemaal primair relationele wezens: inter-viduen, knooppunten.

Circulaire valorisatie: delen, mededelen, deelnemen

Maar we hebben het nog altijd over in-dividuen, letterlijk: niet (in) deelbaren (dividere; divi-dend was ooit winstdeling). Dat is een psychologische vertaling van wat in de natuurkunde een a-toom heet: geen (a) deel (tomos) zijn, vol-ledig zijn. Daar halen we ook ons idee van autonomie vandaan: we maken onzelf (autos) tot wet (nomos). Maar in de natuurweten-schappen is het atoom als fundament van de materie allang losgelaten. We praten over quarks, antimaterie, een foton met een deel- en een golfaspect en uiteindelijk wordt alles bij elkaar gehouden door het Higgs boson. Niettemin zijn we, als we het over menselijke geest hebben, geneigd nog in atomaire termen over ons zelfbewustzijn of ons ego te praten. Ik is een id-entiteit, letterlijk een dit-ding. En veel meer is het ook niet. Pas als dit wordt gedeeld, pas als het gecommuniceerd wordt, pas al het deel wordt en deelneemt, dat wil zeggen part-i-cipeert, begint het ergens op te lijken.

Delen is in onze tijd bovendien allang wat anders geworden. We weten allemaal wel dat delen het nieuwe vermenigvuldigen is, maar toch. In analoge tijden en tijden van schaarste hield je als je iets deelde hoogstens de helft over. Onze evolutionaire winterbuffer mentali-teit zet ons neurologisch aan – in het limbische systeem dat tussen de hersenstam en de neo-cortex zit – om die hele taart te bufferen. Alleen onze voorouders en nazaten mogen in dat geval mee delen. Op een gegeven moment is de taart echter op en sta je met lege handen. Dat wil ons organisme liever voorkomen.

In digitale tijden is delen echter geen op overleving gerichte rekensom meer. In de plaats van het graaien komt het gunnen. De passie kan omgebogen worden naar compassie. Als we dit doorvertalen naar wat hiervoor over lerende organisaties en de 21st CS is gezegd, betekent dat voor mij het volgende. De crux van delen is communicatie en collaboratie, samenwerken en participeren. Iets simpeler gezegd: delen is mede delen en deel nemen. Dat heeft wel consequenties voor je organisatie. Voor Vakmanstad betekende dat vanaf het begin dat ieder intern mailtje naar wie dan ook altijd minstens twee cc’s moest hebben. Er bestaan geen bilateraaltjes. Agenda’s worden zo transparant en deelbaar, zodat iedereen weet wat er gaande is. Door zich dit eigen te maken wordt de bewegingsruimte om mee te denken vanuit je eigen ‘doen’ groter. Zo creëert informatie door deze circulatie al meer-waarde. Dat betekent niet dat iedereen actief op elke schaal moet meewerken. Mededelen vergt weliswaar deelnemen, maar wel op de schaal waarop je opereert.

Natuurlijk, er zijn verschillende schalen waarop we functioneren. Backoffice, coördinatoren en docenten zijn echter niet van elkaar gescheiden lagen. We zitten niet meer in een pira-mide, maar de piramide zit nog wel in ons. Ik ben er altijd vanuit gegaan dat iedere mede-werker strategisch, tactisch en operationeel kan meedenken, zij het op en vanuit zijn of haar eigen schaal. Iedereen doet overal aan mee. Zo gaat de Vakmanstad visie op alle schalen circuleren en resoneren. Pas dan is er sprake van circulaire valorisatie: als een docent beseft wat kinderen in het Vakhuis doen kan er in de lessen op worden geantici-peerd. Een coördinator die weet dat er in de klassen oplossingen worden gevonden kan deze doorvertalen naar andere scholen. Een directeur die weet wat de weerbarstige praktijk van alledag is, omdat hij regelmatig in de keukens en klassen rondloopt en soms inspringt, legt op bestuurlijk niveau andere voorstellen neer. Eigenlijk komt het er op neer dat ieder-een in wat hij of zij kan, ook door zichzelf heel serieus wordt genomen en dat iedereen de organisatie in diens pogingen maatschappelijk en beleidsmatig te interveniëren serieus neemt. Melkkoeien bestaan niet, net zomin als pakezels. De informatie circuleert en in de mededeling krijgt deze communicatie meerwaarde als het ieders participatie versterkt.

Paradigmashift: van piramide naar netwerken

De Vakmanstad visie balanceert dus op een snijvlak. Om te voorkomen dat het een door-snee project wordt, moet het zichzelf voortdurend vernieuwen. We zouden kunnen zeggen dat met deze circulaire valorisatie het beeld van een piramidale organisatie wordt doorbro-ken. Maar laten we eerlijk zijn: dit zijn mooie concepten, maar zo zit de wereld (nog) niet in elkaar. We mogen dan met ons lichaam, met onze handen en voeten in een wereld leven die van netwerken aan elkaar hangt, ons denken – ons zelfbewustzijn, ons ego – is nog gro-tendeels piramidaal. Kijk maar naar de behoeftepiramide van Maslov of de creativiteitspi-ramide van Bloom. Hij staat ook nog steeds op het dollarbiljet en op het binnenplein van het Louvre. Maar kijk vooral naar onze grote instituties en bedrijven: economie, politiek, onder-wijs, overal heerst nog het hiërarchische, piramidale denken dat iedere poging om integraal te handelen blokkeert. Hokjesdenken, silo’s. Als slimme CEO’s of topambtenaren dus be-weren dat ze het niet top-down maar bottom up doen, verandert er eigenlijk niets. Bottom-up is top-down, want op diezelfde vector, op diezelfde lijn of die nu van boven naar bene-den of van beneden naar boven gaat, kom je dezelfde problemen tegen. Het is hetzelfde paradigma.

Pas als je snapt dat top en bottom slechts gefixeerde punten zijn op een cirkel en dat er tussen beide dus ontelbare andere posities denk- en doebaar zijn, begrijp je dat circulair doendenken echt van een andere orde is. Vandaar dat Vakmanstad altijd de overgang van het piramidale denken naar het netwerkdenken heeft gepropageerd. Van druk naar trek en rek, van push naar pull. Ieder netwerk is een vangnet en een trampoline. Maar zelfs dat is nog crypto-piramidaal gedacht. Het cruciale kenmerk van netwerkdenken is de feedback-loop, een circulaire beweging die terug- en vooruitwerkend verbindt. Zo worden nieuwe draden ingeweven en de losse eindjes in het weefsel teruggeknoopt. Ieder netwerk kent een schaal waarop het optimaal werkt en zijn samenhang versterkt. Deze schaal ontvouwt zich op de spanningsboog waarop het lokale met het globale wordt verknoopt. Daarmee omgaan vergt nieuwe skills. Digitaal pesten en de soms desastreuze gevolgen tonen dat aan. Door hun smartphone zijn kinderen al globaal voordat ze lokaal verankerd zijn. Door ons dieet wordt klimaatverandering versterkt. Daar ligt dan ook de uitdaging van de nieuwe geletterdheden of wijsheden: mediawijsheid en ecowijsheid. Wat doet een medium met mij en hoe beïnvloedt de keten mij en ik de keten? Onze dilemmatische schizofrenie doorbre-ken vergt deze nieuwe wijsheden. Daar heeft Vakmanstad via de ecosociale lessencirkel handen en voeten aan gegeven.

Vooruitblik: belangrijker dan wat er in mensen zit, is wat er tussen mensen gebeurt

En zo kun je geleidelijk aan je overbodigheid werken. Misschien is dat wel het mooiste wat er is: doorwerkte overbodigheid. Want niet alleen pilots en projecten, ook mensen hebben een houdbaarheidsdatum. De ongenaakbare vorm daarvan kennen we. We hebben bij Vakmanstad lief en leed gedeeld. Maar de gezegende vorm van die houdbaarheidsdatum noemen we pensioen. Dat is maatschappelijk gezien het moment waarop zowel werkne-mers als werkgevers allemaal krijgers worden. U ziet, het past allemaal in de martiale me-tafoor waar ik mijn ecosofische reflectie mee begon. Nadenkend over ‘pensioen’ ben ik ook op andere gedachten gekomen. In het latijn (pensio, pensionis) betekent het zoveel als be-taling of rente en verwijst het naar het latijnse pendere, dat afwegen betekent, zoals in pendule of weegschaal. Toen besefte ik dat er zoiets bestaat als soldatesk vakmanschap. Pensioen werd immers aan Romeinse soldaten uitbetaald als ze het leger verlieten. Soldaat komt trouwens van solidarius: iemand die voor geld of soldij werkt. Romeinse soldaten werden betaald in vaste stoffen, wat ook weer verwijst naar solidus – solide – dat oorspron-kelijk een Romeinse gouden munt was. Pensioen betekent dat je institutioneel van een ge-ver of nemer (een werkgever of een werknemer, het maakt niet zoveel uit) een afgewogen krijger wordt.

Zo komt de eerder gemaakte opmerking over de regiem change in Rotterdam in een nieuw licht te staan. We zijn dus inderdaad allemaal soldaten. Geen oorlogzuchtige rovers, straf-fende sheriffs of loonslaven, maar zichzelf vormende en ontwikkelende vaklieden waar het front dwars doorheen loopt. Dit soldateske vakmanschap vergt een nieuw verhaal. Ecoso-fisch gezien – dus vanuit een integraal en circulair perspectief – gaat dit verhaal meer over haakbaarheid dan maakbaarheid, meer over verbinden dan vastbinden. In een circulair le-ven waarin leven lang leren en interesse de energie laten circuleren, is ieder einde altijd weer een begin.